Gisterenavond weer eens naar politiek als spannende televisie gekeken. Geen Nederlandse zenders natuurlijk, want die verpakken politiek steeds meer in hapklare brokken gemakkelijk te verteren scepsis. Nee, voor een echt politiek debat moet je naar de BBC, waar de gemoederen hoog oplaaiden rond het fameuze programma Question Time. Dat bestaat al sinds 1979 en er zijn regelmatig hoogstandjes van debatteerkunst in te zien; dat kan je aan de Engelsen wel overlaten.
De formule is simpel maar effectief: zet elke donderdagavond een zaal vol gewone mensen tegenover vier gasten uit de politiek en laat het publiek elke vraag afvuren die het wil. Het debat dat achter de tafel en in de studio ontstaat, is veelal verbijsterend helder en scherp. Zonder regie, zonder draaiboek, gewoon spontaan vanuit het gemoed van de dag. En dat alles onder de welwillende leiding van journalistiek icoon David Dimbleby.
Dat is wat je noemt spannend, want politici moeten alles uit de kast halen om overeind te blijven tegen het veelal zwaar ongenuanceerde tegenvuur van het publiek en van hun tegenstanders in de rest van het panel. Daar zijn vele klassieke confrontaties uit voort gekomen in 30 jaar.
Gisteren werd toch weer een grens doorbroken, want Nick Griffin was te gast en dat is de leider van de British National Party, een partij die we fascistisch zouden kunnen noemen. Zouden kunnen, omdat Griffin de laatste jaren heel veel moeite doet om van het fascistische imago af te komen en een respectabele rechtse partij te worden. Daarvoor moet hij zich wel in allerlei bochten wringen, want in zijn hart is hij een racist en antisemiet. Hij is bijvoorbeeld gezien met de Ku Klux Klan, pleitte voor het uitzetten van alle zwarten uit het blanke Engeland, is al eens veroordeeld voor het oproepen tot rassenhaat en was zelfs ontkenner van de Holocaust.
Maar Griffin probeert dus acceptabel te worden en hij gebruikt daarvoor dezelfde tactiek als Wilders in ons land: speel in op het ongenoegen over de multiculturele maatschappij, de vermeend groeiende invloed van de islam, het latente racisme van maatschappelijk teleurgestelden en het algehele ongenoegen over de gevestigde politiek. Dat leverde Griffins partij twee zetels op bij de Europese verkiezingen vorig jaar; een succesje dat niet in de schaduw staat van Wilders (die dan ook een stuk gematigder is dan Griffin), maar gezien Griffins rabiate achtergrond toch opmerkelijk.
Moet je zo’n man een rol gunnen in een zo’n belangrijk programma als Question Time. De BBC vond uiteindelijk wel, omdat de BNP nu feitelijk deelneemt aan de politiek en een zeker deel van het electoraat aan zich bindt. Die beslissing leverde enorm tumult op bij linkse groepen die het racisme en antisemitisme van Griffin geen centimeter ruimte willen geven.
Die discussie lijkt op wat wij jaren geleden al hebben gehad: moeten publiek gefinancierde media racisme of islamofobie ruimte geven? In het geval van Hans Janmaat was de tactiek: niet dan in uiterste noodzaak. Bij de meer acceptabele islam-critici Pim Fortuyn en Geert Wilders lag dat juist andersom: als we hen niet de gelegenheid geven om zich te uiten drukken we een substantieel geluid uit de samenleving weg en dus geven we ruimte. Of het alleen daaraan ligt, is niet zeker, maar de electorale opmars van beide politici zou mede hiermee samen kunnen hangen. Door in reguliere media te verschijnen, krijgen hun ideeën namelijk een status van geaccepteerdheid.
Het debat in de Nederlandse journalistiek is of men daarin niet te ver is gegaan met Wilders, want diens agenda lijkt richtinggevend voor veel van het huidige politieke debat en zijn electoraat kan daardoor ongeremd groeien. Voor veel kiezers lijkt het immers te gaan om een keuze tussen Wilders en de rest van de politiek, omdat vooral televisie altijd dat perspectief op de politiek lijkt te willen werpen. Dat komt omdat Wilders handig gebruik maakt van de voorkeur van televisie voor het tegenover elkaar zetten van twee extremen. Zijn tactiek is uiterst eenvoudig: roep iets extreems en als vanzelf gaan journalisten (juist degenen die zich kritisch en onafhankelijk noemen) tegengeluiden zoeken.
Daar hoef je niet eens zelf voor in een debatprogramma te gaan zitten. Want Wilders kijkt er altijd wel voor uit om zich te onderwerpen aan ondervragingen. Hij laat het meepraten in talkshows en debatprogramma’s altijd over aan de back benchers van zijn partij om zelf buiten schot te kunnen blijven. Dat is natuurlijk laf, maar bovenal boerenslim.
Misschien wordt het dus tijd dat we een Nederlandse versie van Question Time krijgen, waarin ook Wilders met de billen bloot moet. Het zou mooi zijn, maar ik vrees dat het te laat is. In de huidige politieke constellatie willen politici zoals Wilders zich niet meer vrijwillig onderwerpen aan onvoorspelbare vragen van een publiek. Dat geldt overigens ook voor veel andere politici die de macht van de visuele media in de beeldvorming enorm hebben zien groeien. Jammer, want juist een ongeregisseerde confrontatie van het publiek en politici levert spannende televisie op dat – mits in handen van een eerlijke publieke omroeporganisatie – een bijdrage levert aan het politieke debat.
Vragenvuur
October 23rd, 2009De beerput van Garmerwolde
October 19th, 2009Groningen heeft zijn eigen Noord-Zuidlijn-drama, maar in tegenstelling tot Amsterdam lijkt vrijwel niemand zich er hier druk om te maken. Terwijl het toch gaat om minimaal 27 miljoen gemeenschapsgeld dat nu extra moet worden uitgegeven om behoorlijk gezuiverd water in onze huizen te krijgen. Waarom dat schouderophalen? De laatste tijd worden politici zelfs belaagd over de aanschaf van een zonnebril of het laten verrichten van rugmassages op kosten van de belastingbetaler, maar voor 27 miljoen stelt alleen een verslaggever van de regionale pers wat vragen waarna we over gaan tot de orde van de dag.
Het zal wel komen omdat het hier gaat om een waterschap. Vrijwel niemand weet wat zo’n lichaam nu eigenlijk precies doet. De afgelopen jaren heeft de overheid daarom veel geïnvesteerd in grotere transparantie op dit vlak, bijvoorbeeld door in 2008 directe verkiezingen te organiseren. De opkomst viel tegen (rond de 24%) maar de waterschapsbesturen vonden het toch een succes. Alle begin is moeilijk, maar de democratie is weer een stap verder met die verkiezingen en daar gaat het om.
Hoeveel moeite de nieuw gekozen besturen echter nog hebben met de democratische processen bleek afgelopen week bij het waterschap Noorderzijlvest. Dat besprak een vernietigend rapport over de vernieuwbouw van een rioolwaterzuiveringsinstallatie in Garmerwolde. Zelden lees je een zo onomwonden analyse van een beerput. Want dat was de bouw van die installatie, waarmee al in 2002 is begonnen. Het heeft in zeven jaar ontbroken aan alles dat voor zo’n niet geringe investering nodig is.
Er daarom zijn er nu enorme kostenoverschrijdingen. Bovenop de oorspronkelijk geplande 22 miljoen blijkt nu extra 27 miljoen te moeten worden uitgegeven om de installatie aan de gestelde normen te willen voldoen. Die gigantische overschrijding komt vooral door een volledig ontbreken van toereikend management, een schrijnend gebrekkige bedrijfscultuur en wat wel genoemd wordt een ‘diffuse sense of urgency’. In normale woorden betekent zoiets dat de leiding schijt had aan alle signalen dat het mis aan het lopen was. Zeven jaar lang.
In een normale democratische omgeving zou een dergelijk rapport niet zonder gevolgen mogen blijven. Ontslag van de direct betrokkenen zou het minste moeten zijn; een vertrek van de verantwoordelijke bestuurders zou niet ongewoon zijn. Zo gaat dat nu eenmaal in de democratie; een bestuurder is gekozen om verantwoordelijkheid te dragen en als dat duidelijke niet is gelukt (met grote schade voor de gemeenschap als gevolg) dat dient men conclusies te trekken.
Zo niet bij het bestuur van dit waterschap. Dat blijft gewoon zitten en volstaat met een verwijzing naar het onderzoek dat men heeft laten instellen. Nu weten we wat er fout was en we werken aan verbetering zodat het niet meer voor kan komen, is zo’n beetje de boodschap van de dijkgraaf. Dat haalt je de koekoek ja, maar dat is toch wel een vreemde, en zeer beperkte opvatting van het democratisch proces. Hoe moeten we er nu op vertrouwen dat de mensen die verantwoordelijkheid hebben gedragen voor een beerput en die blijkbaar gewoon blijven zitten, herhaling gaan voorkomen? Men lijkt te zeggen: gaat het weer mis dan stellen we wel weer een onderzoekscommissie om vast te stellen waar het mis is gegaan.
Ik vind dat ongelofelijk regentesk. Het is ook veelzeggend over het blijvende democratisch tekort bij de waterschapsbesturen, die eeuwenlang in beslotenheid hun gang hebben kunnen gaan. Het vrijwel ontbreken van kritische media in het volgen van de technische materie die de waterschappen doorgaans behandelen, speelt ook een rol. Want die schreeuwen het doorgaans van de daken als dergelijke verspilling van gemeenschapsgelden aan het licht komt, maar hier vonden ze een paar berichtjes blijkbaar voldoende.
Voor mij is het reden om niet meer te stemmen voor die rare waterschappen met hun besloten culturen die de rekening van hun wanprestaties ongetwijfeld bij de burger op de deurmat zullen leggen. Ik zou zeggen: opheffen en de taken onderbrengen bij een echt democratische bestuurslaag zoals de provincie.
De claimvandaal, de hype-media en het DSB-debacle
October 15th, 2009Het drama rond de ondergang van de DSB-bank gaat een nieuwe fase in. Dat zal ongetwijfeld een faillissement betekenen, want ik geloof niet dat er een marktpartij zal zijn die bereid is de risico’s rond de bank van Scheringa over te nemen. Daarmee heeft Pieter Lakeman zijn zin, want met zijn oproep bij KRO’s Ontbijttelevisie om door een bank-run een faillissement te bewerkstelligen begon het allemaal. Of zijn tactiek ook echt uitwerkt zoals hij heeft bedoeld, is dan de vraag, want van een kale kip valt niet veel te plukken. Maar daar komt deze claimvandaal de komende maanden nog wel achter.
Ik gebruik niet voor niets het woord claimvandaal, want dat is Lakeman feitelijk. Hij komt op voor het belang van zijn 1200 klanten die iets te eisen hebben van de DSB-bank, maar in zijn gedrag is hij bereid daarvoor de complete bank met de grond gelijk te maken. Dat is een vorm van vandalisme te vergelijken met een benadeelde burger die zijn claim aan het hem dwarsbomende gemeentebestuur kracht bijzet door de burgerij op te roepen het gemeentehuis in de vlam te zetten. Een claim kan nog zo begrijpelijk en sympathiek zijn, ze rechtvaardigt nooit de verschroeide-aarde-acties die de belangen van andere partijen op zo grote schaal geweld aan doen.
Het verontrustende aan deze zaak is echter niet alleen Lakeman, want hij doet slechts wat steeds meer advocaten, zaakwaarnemers, lobbyisten, actiegroepen en ook sommige politieke partijen doen als ze iets willen bereiken: eenzijdig en zo krachtig mogelijk voor 1 belang opkomen en de rest mag het voor zichzelf uitzoeken. Nee, het verontrustende is het gemak waarmee dergelijke patjepeeërs in een net pak hele volksstammen kunnen mobiliseren om te doen wat ze willen. Ze lijken daarbij vooral gebruik te maken van de enorme vertrouwenscrisis die onze maatschappij in de wurggreep heeft genomen en van de manier waarop media van die crisis gebruik maken om zich te profileren.
Want de media zijn, grotendeels gedwongen door de overlevingsslag in een concurrerend mediaveld, steeds meer op zoek naar groteske nieuwswaarde. Daarmee kan de aandacht van lezers, kijkers, luisteraars en netklikkers worden gevangen en dus doen we vooral niet moeilijk als een claimvandaal langs komt om zijn smerige hoopje te leggen. Want er worden meestal symbolen van rijkdom, aanzien of macht aangevallen en dat past goed bij een van de kernwaarden van de journalistiek: het kritisch volgen van de macht.
Maar het paradoxale is dat bij dat kritische volgen van de macht, veel journalisten hun kritische houding verliezen ten opzichte van de groepen en individuen die er belang bij hebben om kritische journalisten voor hen aan het werk te zetten. Want de oproep van Lakeman wordt niet sceptisch benaderd als een extreem geluid van een belanghebbende, maar hij wordt het leitmotiv in een mediahype die alleen maar kan leiden tot de meest dramatische gebeurtenissen.
Want daar kan dan weer over worden bericht en als het niet opschiet dan zijn sommige kranten of tv-programma’s best bereid de werkelijkheid een handje te helpen. Zoals de Volkskrant die afgelopen maandagochtend opende met het ‘feit’ dat het lot van de DSB-bank aan een zijden draadje zou hangen. Dat was precies het laatste zetje aan het DSB-graf. En we kunnen vervolgens weer weken vooruit met de nieuwe dramatische gebeurtenissen die hieruit zullen volgen, want dat er koppen gaan rollen laat zich voorspellen. De moderne publieke opinie kan niet zonder plengoffers; iemand (bij voorkeur politici) moet verantwoordelijk voor alle ellende worden gesteld. Burgers, bankdirecteuren en zaakwaarnemers kunnen zich vrijwel alles veroorloven; de politiek vrijwel niets.
Hiermee wil ik niet zeggen dat media volkomen fout opereren, want het is niet eenvoudig om je aan dergelijke processen te onttrekken als het publiek dat van je lijkt te eisen. Maar ik pleit er wel voor om af en toe eens een stap achteruit te zetten en na te denken over waar we nu eigenlijk met z’n allen mee bezig zijn. Want het is bepaald niet de eerste keer dat we met een mediahype te maken hebben; daar is ongelofelijk veel onderzoek naar gedaan en die wijzen steeds op dezelfde patronen. Onder andere dat journalisten altijd na afloop zeggen dat ze ook niet begrijpen waarom ze zich zo kritiekloos hebben laten meeslepen met de meest extreme waan van de dag.
Zo geven we nu een man zijn zin die met een brandende lucifer naast een benzinevat staat, en vervolgens krijgen de brandweer, de politie en de politiek de schuld van de brand die erdoor ontstaat. Tel uit je winst voor de democratie. Zoals Marcel van Dam vandaag in de Volkskrant schrijft: ‘Nederland is ziek, en als de media de koorts opnemen, meet de thermometer ook nog eens een paar graden te veel.’
Monarchie onder vuur
October 12th, 2009Het lijkt opmerkelijk dat bij de crisis in het vertrouwen in de formele politiek ook het koningshuis wordt betrokken. Dat die crisis er is blijkt al jaren uit de teruglopende kiezersaantallen voor partijen die al meer dan een eeuw de politiek domineren en de enorme belangstelling voor zogenaamde ‘anti-partijen’. Dat zijn partijen die in meerdere opzichten breken met de politieke cultuur. Zo hebben ze doorgaans geen, of een slechts rudimentair ontwikkelde, partijstructuur en mobiliseren ze het electoraat vooral door via de media strijd te voeren tegen het establishment van de traditionele politiek.
Met die kruistocht, die van zeer weinig vertrouwen in de parlementaire politiek getuigt, heeft Fortuyn voor het eerst succes geboekt. Wilders en Verdonk hebben het stokje van hem overgenomen; Wilders voorlopig met meer succes dan Verdonk.
Tot het establishment behoort ook de monarchie, maar van dat instituut heeft alle eerdere antimonarchistische aanvallen ogenschijnlijk gemakkelijk overleefd, dus was het de verwachting dat dat ook nu zou gebeuren. Want met anti-orangisme is electoraal doorgaans weinig te winnen. Pragmatische politici zoals Joop den Uyl wezen er al op dat de sociaaldemocratie weliswaar principieel republikeins was, maar dat hij afschaffen van de monarchie nooit tot een speerpunt van zijn partij zou maken omdat er alleen maar verlies voor belangrijker vraagstukken mee geboekt zou worden. De SP heeft zich ook geen buil willen vallen aan het koningshuis.
Wat dat betreft lijkt er nu een breuk te zijn ontstaan, maar eigenlijk is het een logisch gevolg van onze politiek-mediale cultuur. Wilders heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij de huidige koningin een softie vond met haar kerstoproepen tot verdraagzaamheid en spirituele consensus. En afgelopen maand heeft hij die lijn doorgetrokken door wederom te pleiten voor bezuinigingen op het koninklijk huis en staatsrechtelijke hervormingen die de vorst moeten reduceren tot ‘een lintenknipper’.
Dat is niet zozeer dobberen op antimonarchistische sentimenten, maar op de algehele onvrede in de Wilders-achterban over alles dat te maken heeft met ‘zakkenvullen’, ‘onze belastingcenten’ en ‘vriendjespolitiek in achterkamertjes’. Met zakkenvullende bankiers en ruimhartig declarerende politici rekenen we keihard af, dus waarom niet met een kroonprins die een luxe villa wil bouwen in Afrika en daar op ‘onze’ kosten heen wil vliegen; met leden van het koninklijk huis die belastingconstructies verzinnen waar gemakkelijk een geur van ontduiking omheen te blazen is; met dure paleizen die volgehangen zijn met luxe goederen en met een aantoonbare kostenpost voor de overheid van rond de 40 miljoen gulden.
Die sentimenten hebben nu blijkbaar grote aanhang in het electoraat – zelfs de Oranjeverenigingen zijn kritisch op dit vlak – en in de media leveren ze razend populaire verhalen op. Want ook de monarchie is terecht gekomen in een mediaomgeving die bovenmatig geïnteresseerd is rond incidenten en schandalen rond publieke figuren. Bleef dat sentiment in relatie tot het koningshuis vroeger in de twintigste eeuw beperkt tot een enkel schandaalblad, nu is dat een van de belangrijkste kernen van de journalistiek over het koningshuis geworden. Ik heb eerder uitvoerig over die paradigmawisseling in de journalistiek geschreven in het tweede nummer van Tijdschrift voor Mediageschiedenis in 2007.
De toenemende vijandigheid in de publieke opinie en dus ook van vrijwel alle media noopt de monarchie ertoe om nog voorzichtiger te opereren dan het al deed. Want elke privédaad, elke uitgave van een euro en elke openbare handeling van een lid van het koninklijk huis zal worden uitgelegd in het schandaal- en afreken-frame dat tot in alle uithoeken van het mediaveld – ook de kwaliteitsmedia – dominant is geworden. de Volkskrant van afgelopen zaterdag presenteerde de bouw van een (of twee?) Afrikaanse villa’s van het kroonprinselijk paar als een uitvloeisel van een duister complot van rijke leden van een internationale jet-set. Dat had niets meer te maken met de drijfveren van de kroonprins en zijn vrouw om een vorm van ontwikkelingshulp te combineren met het verlangen om met rust te worden gelaten.
Wat dit betreft valt er veel werk te verzetten voor de mensen die (van onze belastingcenten, zal ik maar zeggen…) in dienst zijn genomen om de PR van het koninklijk huis te verzorgen. Tegen het beeld van een zakkenvullende elite is meestal geen kruid gewassen.
Politiek als spel of inhoud
October 9th, 2009In de teloorgang van de sociaaldemocratie lijkt deze week weer een stapje vooruit te zijn gezet. Maandag lekte een mail van fractiesecretaris Diederik Samsom uit waarin hij de politieke positie van de PvdA ‘deplorabel’ noemde. Vervolgens domineerde dit ‘nieuws’ de rest van de week, want met tweestrijd in een partij weten de media doorgaans wel raad. Vele pogingen zijn inmiddels gewaagd om de analyse van Samsom zo voor te stellen dat hij een aanval had gedaan op de positie van fractievoorzitter Mariëtte Hamer. Arme Mariëtte ligt toch al flink onder vuur omdat ze er maar niet in slaagt op een overtuigende manier het beleid van de PvdA naar voren te brengen. Ze blijft er maar op hameren dat ze het wil hebben over de inhoud en niet over de ruzies, haar persoonlijkheid, haar stuntelige optreden en de speculaties over andere kandidaten voor het fractievoorzitterschap.
Aantasting van het leiderschap door een pretendent past uitstekend in een van de frames waarmee de politieke journalistiek graag werkt. Naar framing van politiek gaat de laatste decennia steeds meer de aandacht uit van het politicologisch of communicatiewetenschappelijk onderzoek. Dat onderzoek wijst uit dat ‘conflict framing’ en ‘strategic game framing’ steeds meer dominant worden. Het zijn vormen van verslaggeving waarin de politieke werkelijkheid bij voorkeur wordt gezien als een spel waarin hoofdrolspelers elkaar bevechten om de meest voordelige machtsposities te verkrijgen. Die hoofdrolspelers zijn de partijen en hun leiders. We nemen de politiek dan ook vooral waar als een voortdurende strijd van die leiders om macht of aandacht; inhoud (standpunten over kwesties bijvoorbeeld) zijn daaraan ondergeschikt.
Politici willen zich nog wel eens negatief uitlaten over de mediavoorkeur voor conflicten of strategische spelletjes. Wij zijn er voor de inhoud zeggen ze dan; aan door de media opgeklopte verhalen doen we niet mee. Daarmee lijken politici, zoals Hamer, te willen beweren dat de kiezer uiteindelijk toch zal moeten erkennen dat een politicus die voor de inhoud opkomt meer in zijn belang is dan een politicus die de meeste tijd steekt in het bespelen van de media.
Ik vind dat een tamelijk naïeve gedachte. Politiek leiderschap gaat altijd om de mensen die een boodschap dragen. Je kunt die boodschap niet scheiden van de authentieke persoonlijkheid, want het overgrote deel van de burgers kunnen politiek niet snappen zonder mensen en karakters. Het is dan ook buitengewoon dom om politiek leiderschap in handen te geven van mensen die alleen voor inhoud claimen op te komen en geen aandacht besteden aan hun eigen optreden in het openbaar ‘omdat het daar niet om gaat’. Daar gaat het namelijk wel om en dat effect is overbekend uit alle lectuur over politiek.
De Amerikaanse politieke is er bijvoorbeeld helemaal op gebaseerd. Daar zoeken de partijen vooral naar een leider die hun inhoud (die er wel degelijk is) belichaamt en goed kan communiceren. Wie denkt dat Barack Obama vooral om zijn inhoud president is geworden en vandaag de Nobelprijs voor de Vrede heeft gewonnen, vergist zich. Hij heeft bovenal goede communicatieve eigenschappen en door het aanzien en steun die hij daaraan ontleent, kan hij in de vorming van de publieke opinie altijd het initiatief behouden. Daardoor brengt hij de mensen die voor hem en zijn partij de inhoud in daden moeten omzetten in een voordelige positie.
Zo werkt dat nu eenmaal; inhoud zonder effectieve communicatie door een wervende persoonlijkheid heeft geen betekenis in onze mediasamenleving. Want media lijken de macht te hebben, maar onderzoek wijst uit dat de media de politiek volgen en niet andersom. Over personalisering of strategic game framing moet je als politicus dus niet triest worden, maar proberen vanuit dat gegeven te handelen.
Voor Amerikanen zou het dus een absurde gedachte zijn om iemand de leiding van de partij te geven die zich zo slecht presenteert als mevrouw Hamer. Ze geeft media met hun voorkeuren voor aanvallen op falende politici teveel gelegenheid om verhalen te maken die de politieke strategie van haar partij voortdurend onder druk zal zetten. Zo’n persoon zouden Amerikaanse partijen een belangrijke functie achter de schermen geven waar haar eigenschappen (effectief en hard onderhandelen; resultaten boeken in complexe vraagstukken) het beste tot hun recht komen.
Het is een vervelende gedachte voor de betreffende personen en het zadelt de partijen op met een probleem dat niet altijd op te lossen is, want mensen die de inhoud effectief kunnen dragen en uitdragen zijn schaars. Maar het is een gegeven. Zo voelt ook Jan Marijnissen aan dat zijn opvolger Agnes Kant een geweldig gedreven vakvrouw is, maar op de een of andere manier er niet in slaagt een presentatie te geven die de twijfelende kiezer overtuigt. Alle mediatrainingen hebben blijkbaar niet het gewenste effect gehad en dan komt er een moment om aan te kondigen dat je beschikbaar bent als de partij daarom zou vragen. Dat zegt Marijnissen niet om Kant aan de kant te zetten, maar omdat hij weet hoe het werkt in het politiek-mediale complex. Juist in het belang van de inhoud waar zijn partij voor opkomt, moet de persoon soms wijken.
RTL en KRO zoeken kijker met zoekende boer
October 5th, 2009In januari 2008 was het groot nieuws: Boer zoekt Vrouw breekt alle kijkcijferrecords voor een amusementsprogramma. Met meer dan 3,4 miljoen kijkers was het de hoogst bekeken show ooit. Alleen voetbal en het NOS-Journaal scoorden doorgaans hoger. Gezien die commotie toen is het opmerkelijk dat er nu nog zo weinig over dat programma gesproken wordt, want inmiddels kijken er wekelijks meer dan 3,6 miljoen mensen naar de boeren in hun wanhopige zoektocht naar een vrouw. Structureel, dus het succes is zeker geen toevalstreffer. Het programma loopt nu voor het vierde seizoen en de sleet zit er bepaald nog niet op.
Niet alleen in Nederland overigens, want het programma wordt inmiddels in 14 landen uitgezonden, van Frankrijk (L’amour est dans le pré) en Spanje (Granjero busca esposa) tot Australië. En natuurlijk in Engeland waar het in 2001 allemaal begon met Farmer Wants a Wife, hoewel er ook mensen zijn die zeggen dat de Zwitserse televisie al in 1983 een vergelijkbaar programma had met Bauer sucht Bäuerin. En overal met tamelijk groot succes, zij het nergens zo overweldigend als in Nederland.
Veel is al gespeculeerd over de reden van dit succes. De meest gehoorde reden is dat het programma ons binnenhaalt in een wereld die aan het verdwijnen lijkt, maar waarnaar we diep verlangen. Boer zoekt Vrouw toont ons op geromantiseerde wijze het eenvoudige boerenleven. Daar, op het platteland, waar het leven nog goed is, de natuur nog zuiver en de mens nog monocultureel. In tegenstelling tot de moderne wereldburger is de boer nog authentiek, honkvast en een levenlang toegewijd aan zijn werk. Hij eet stamppot met een balletje, komt zelden over de grens, drinkt een biertje op een versleten bank uit de jaren vijftig en gaat zelden uit. Want het vee, de bloemen of het fruit wachten elke dag. Vandaar natuurlijk dat het veelal zeldzaam verlegen en zwijgzame types zijn, die moeite hebben met een gesprek dat over andere zaken moet gaan dan de problemen met Bertha-4, de nieuwste bloemenkruisingen en appelrassen of het insemineren van merries.
De confrontatie van deze licht onbeholpen mannen met vrouwen levert fijne televisie op, omdat het goed past in de belangrijkste trend in de recente televisiegeschiedenis naar voyeuristische inhoud. Daarachter schuilt een enorme behoefte aan authenticiteit, maar het paradoxale van televisie is dat ze die authenticiteit altijd probeert te verpakken in een kunstmatige inhoud. Want de boeren proberen wel zichzelf te blijven, maar door de KRO worden ze in alle mogelijke onnatuurlijke situaties gebracht. Zo moeten de mannen, waar soms meer dan 50 jaar geen vrouw naar omgekeken heeft, ineens gaan speeddaten met maar liefst tien vrouwen. Ook moeten ze allerlei voor hen ondenkbare opdrachten tot uitvoering brengen, zoals met vijf vrouwen een gezellig dagje naar het strand of een vlindertuin. Ook moeten ze plotseling voor het oog van een camera gaan praten over de diepere zin van het leven of het belang van een goed gesprek met een vrouw. Ze zweten niet voor niets peentjes bij dit soort beproevingen en ik heb er ook zelden een gelukkig van zien worden (hoewel een klein aantal huwelijken uit het programma is voortgekomen).
Maar dat is televisie, ook bij een publieke omroep zoals de KRO. Die zal er best nog een drijfveer bij hebben die spoort met hun identiteit. Zo is de manier waarop alles in beeld wordt gebracht toch nog tamelijk respectvol voor de boeren. De achterliggende gedachte – ook een hulpeloos verlegen en contatctgestoorde boer heeft recht op een vrouw – is misschien zelfs ongekend katholiek. Zoals veel KRO-programma’s is ook dit programma doordesemd van barmhartigheid, medemenselijkheid en respect voor en weemoed naar het traditionele.
Wat we vervolgens aanmoeten met de kennis dat het programma in 13 totaal verschillende, meestal niet erg katholieke landen wordt uitgezonden door commerciële omroepen, weten we niet, want erg veel vergelijkend onderzoek wordt er nog niet gedaan naar grensoverschrijdende televisie. Toch is het goed om te weten dat Boer zoekt Vrouw misschien oer-Hollands lijkt, maar het niet is. Het programma wordt gemaakt door Blue Circle, een volle dochter van de productiegigant Fremantle Media, de belangrijkste productiemaatschappij van de RTL-groep, die weer onderdeel is van het Bertellsmann-concern. Hoewel de inbreng van de KRO waarschijnlijk groot is (hoe groot precies weten we niet), zou je dus ook kunnen zeggen dat eigenlijk RTL een KRO-programma maakt.
Meer wetenschappelijk onderzoek naar dergelijke programma’s is echt nodig en ook erg interessant, want alleen op die manier kan eens goed worden bekeken of de televisievorm nu zo krachtig is dat het traditionele, nationale of ideologische culturen vervangt door een universele, door televisiewetten bepaalde cultuur. Dat is een eclectische cultuur waarin allerlei elelementen van tradities samenkomen in een nieuwe vorm die de Canadese mediawetenschapper Marshal McLuhan al eind jaren vijftig voorspelde: een global village waarin het kleinste sociale verband (een dorps- of familiegemeenschap) een wereldwijde betekenis krijgt.
Karikaturale journalistiek
September 7th, 2009Afgelopen weekend heb ik zelf weer eens kunnen ondervinden wat journalistiek met je uitspraken kan doen. Vrijdagavond was ik om half negen te gast bij het VPRO-programma De Avonden op Radio-6. Ik praatte daarin een half uur lang tamelijk inhoudelijk door over mijn fascinatie voor televisiegeschiedenis. Het fragment is te vinden onder deze link (even scrollen naar 1.30.00…) Met tal van voorbeelden vertelde ik over de interessante relatie tussen vorm en inhoud van televisie. Overwoekert de vorm de inhoud en bepaalt de technologie daardoor onze cultuur? Ik vind dat daar meer over nagedacht moet worden, met name door programmamakers. In mijn nieuwe bestaan als hoogleraar hoop ik daar zelf veel aan te kunnen bijdragen. Omdat ik de laatste jaren heel veel met de geschiedenis van de journalistiek en de VARA bezig ben geweest, haalde ik mijn voorbeelden het meest uit die omgevingen. Zo constateer ik dat in de talkshows het accent verschoven is van informatieoverdracht naar ervaringsoverdracht. Dat vind ik lang niet altijd een gelukkige ontwikkeling.
Niks mis mee; het was een leuk gesprek waarin ik het gevoel had rustig te kunnen uitleggen wat ik vind. Die ruimte krijg je vrijwel nergens meer; dus je moet voor lief nemen dat op vrijdagavond half negen vrijwel niemand naar Radio-6 luistert. Nou ja, niemand? Het ANP luisterde blijkbaar mee, want de volgende dag lag er al een bericht van dat persbureau bij alle redacties waarin een karikatuur wordt gemaakt van mijn uitspraken. Zo zou ik de aanval hebben geopend op Pauw & Witteman en De Wereld Draait Door. Ik zou die programma’s hebben verweten ‘bezigheidstherapie’ te bedrijven en ‘tijdvulling’ te maken. Prompt namen allerlei kranten dat bericht over, zodat niemand het meer had over mijn zeer zorgvuldig geformuleerde standpunten, maar alleen nog over mijn vermeende veroordeling van genoemde programma’s. Vervolgens belden er journalisten die mij nog meer wilden ontlokken, zoals of ik die programma’s wilde gaan verbieden… Dat is wel erg absurd allemaal. En het bevestigt mijn stelling dat de vormdwang bij journalisten zo groot is geworden dat ze bereid zijn een loopje met de feiten te nemen. Het gaat om een lekker verhaal waarin een liefst zo radicaal mogelijk iemand in scherp contrast wordt gezet tot een autoriteit, in de hoop dat die autoriteit (in dit verband Pauw en Witteman of Matthijs van Nieuwkerk) gaat wankelen en misschien zelfs van het voetstuk valt.
Die opzetjes zijn bekend uit de journalistiek rond politiek en de sport; daar is het uit het verband rukken van uitspraken en het uitmelken van opzienbarende reacties daarop, zo langzamerhand de norm geworden. Hetgeen de relevantie van mijn onderzoek naar de relatie tussen vorm en inhoud alleen maar onderstreept. Vervelend dat ik zelf nu ook deel van word, maar laten we er positief vanuit gaan dat het veel mensen zal stimuleren eens naar De Avonden te luisteren. In ieder geval naar het interview met mij, om te constateren dat ik me wel heel wat genunancieerder heb uitgedrukt. Kritisch, dat zeker, maar ik heb me ook tot een dagelijks kijker naar genoemde programma’s verklaard en ik vind alleen bepaalde onderdelen ervan niet altijd gelukkig uitwerken. Dat kaart ik aan om het gesprek over de aard van de televisiejournalistiek op een hoger plan te brengen; een gesprek waarin juist de makers zich zouden moeten begeven. Ik heb dus bepaald niet de intentie om met mijn finale oordeel over de vermeende slechtheid van genoemde programma’s alle discussie in de kiem te smoren.
Merkwaardig toch, dat journalisten dat laatste graag willen horen.
Sociale netwerken en internet
May 26th, 2009Onlangs had ik een uitvoerig gesprek met medewerkers van Merge Media, een club jonge mensen die bezig is betekenis te zoeken van nieuwe mediaontwikkelingen. Het gesprek ging over de historische context van sociale netwerken en de plaats die internet in die netweren heeft. Hierbij de link naar het vrijwel integraal opgenomen interview. De teksten die in beeld verschijnen zijn niet altijd even correct (mediahistoricus zijn is een vak….), maar misschien is het interessant om wat zaken op een rijtje te krijgen.
Crisis bij noordelijke media?
May 17th, 2009Het onderstaande stukje schreef ik op verzoek van het Groninger Forum, dat a.s. woensdagavond een discussieavond over de noordelijke media organiseert. Het was de bedoeling dat het als een opiniebijdrage zou verschijnen in het Dagblad van het Noorden, maar de redactie van die krant vond het ongeschikt voor publicatie omdat het ‘een tirade tegen het Dagblad van het Noorden’ zou zijn en daardoor ‘geen zinvolle bijdrage in de discussie over heden en toekomst van de noordelijke media’. Ik denk daar anders over, maar ik zou zeggen: oordeelt u zelf.
De mediawereld wordt geteisterd door dalende oplages en advertentieinkomsten, wegzappende kijkers en een toevloed aan nieuwe omroepen. Dat gaat ook aan het noorden niet voorbij. Deze week werd bekend dat de oplage van het Dagblad van het Noorden voor het zoveelste jaar op rij een daalt, met 3% dit keer tot 147.000. Dat is nog aardig wat natuurlijk, maar het Dagblad daalt sneller dan de landelijke trend.
Wat doet de Noordelijke Dagbladcombinatie eraan om het tij te keren? Niet erg veel, als je naar de inhoud van de krant kijkt. Maar deze maand nog starten we met 1TV, zeggen ze in het NDC-hoofdkantoor. Dat gaat een soort kabelkrant worden met een paar nieuwsfilmpjes erbij; filmpjes die toch al gemaakt worden voor de website van het Dagblad. Dat is niet bepaald indrukwekkend; en zeker geen veelbelovende concurrent voor RTV-Noord, dat overigens ook last heeft van een krimpend marktaandeel.
Maar bij de omroep voor Groningen proberen ze in ieder geval iets. Sinds enkele maanden is er een dagelijkse talkshow over het Groningse nieuws en deze maand is men begonnen met een nieuw radioschema. Nog meer dan vroeger brengt Radio Noord nu uitsluitend regionaal nieuws in langere nieuwsblokken op de piekuren. Dat is een verstandige keuze, want in het huidige medialandschap met zijn enorme concurrentie om de vrije tijd van de nieuwsconsument, moet een krant of omroep zich onderscheiden. En hoe doe je dat in Groningen anders dan door alleen relevante informatie uit de regio te brengen?
Doen andere noordelijke media dat wel voldoende? Ik heb zo mijn twijfels, want het nieuws ziet er hier al jaren hetzelfde uit. Omdat men niet durft te innoveren en misschien wel omdat men te lui is om eens iets anders te proberen. Wie stelt zich nog de vraag of het publiek misschien iets anders wil? Ik denk dat de noordelijke lezer veel meer behoeftes heeft dan de sensatieverhalen en het shownieuws waar het Dagblad regelmatig mee probeert te scoren. Misschien wel daardoor raakt het Dagblad in een dodelijke neerwaartse spiraal: de oplagedaling wordt met een forse bezuiniging op de redactie opgevangen (dit jaar weer 15 arbeidsplaatsen geschrapt) en door de nog meer routineuze inhoud daalt de oplage dan weer. Waardoor nog meer geld moet worden bespaard etc.
Win je als mediaonderneming zo de harten van de Groninger? Ik denk het niet, want zijn krant staat ook vol met informatie die in de gratis dagbladen te vinden is: algemeen, kort en landelijk nieuws dat de persbureaus het land inpompen. In een regionaal dagblad verwacht je vooral regionaal nieuws, maar dan meer toegesneden op doelgroepen. Dat vergt harde keuzes, maar ook innovatieve investeringen. Landelijk is daar succes mee geboekt. Spits en Metro veroveren de markt met gratis nieuws; NRC Next maakt een ochtendkrant speciaal voor de beter opgeleide jonge lezer; Het Financieele Dagblad richt zich met een multimediale redactie helemaal op de zakenwereld en een krant als Het Parool wint nog steeds lezers door zich volledig te specialiseren op waar ze goed in zijn: Amsterdams nieuws.
Van die succesjes in een krimpende markt kan men hier leren, want niets doen is geen optie. Waarom is er bijvoorbeeld nog geen gratis dagblad met kort noordelijk nieuws, aangevuld met servicerubrieken, zoals een uitgaansagenda e.d.? En waarom is er daarnaast niet een krant met uitvoerige informatie over de noordelijke economie en cultuur? Nieuws dat echt de diepte ingaat met uitgebreide interviews, goed uitgezochte achtergrondverhalen en dat veel interactie met de lezer zoekt. Het noorden barst van de activiteit, dus daar kan het niet aan liggen.
Is de noordelijke journalist misschien lui? Ik denk het niet, maar het is wel zo dat de energie onvoldoende gericht is op het Groningse publiek. Neem nu adjunct-hoofdredacteur Henk Blanken van het Dagblad. Hij schrijft het ene na het andere boek over ‘digitale cultuur, bloggende burgers en journalistieke ethiek’. Deze week zag zijn nieuwste boek Mediamores het licht. Opvallend is dat daarin geen woord valt over hoe de noordelijke dagbladjournalistiek eruit zou moeten zien om te overleven in deze barre tijden.
Mediamores illustreert het echte probleem van de journalistiek. Men is zo druk bezig met vrijblijvende beschouwingen over de nieuwste mediatechnologie, dat er geen tijd overschiet om zich te verdiepen in de veranderende behoeftes van de Groningse mediaconsument.
Alweer Peter en Joran
November 9th, 2008Al eerder schreef ik over de onthullingen met de verborgen camera van Peter de Vries rondom Joran van der Sloot. Je moet dan altijd tegen de stroom van de publieke opinie is, want dit soort uitzendingen bereiken merkwaardig hoge kijkcijfers. In Amerika krijg je er ook een mooie televisieprijs voor, hetgeen overigens iets anders is dan een prijs krijgen voor het onthullen van een misdaad (dat is namelijk niet door De Vries aangetoond).
Die populariteit als televisiemaker gebruikt Peter de Vries doorgaans als legitimatie voor wat hij doet of heeft gedaan. Iemand die zulke hoge kijkcijfers haalt en de meest prestigieuze tv-prijs in de VS wint, kan het niet mis hebben, is zijn gedachte.
En toch betwijfel ik dat, want de ijdele De Vries wordt van al die publieke lof steeds hoogmoediger en daardoor verliest hij in sommige zaken zijn natuurlijke neiging om pas toe te slaan als zijn zaak stevig staat als een huis. Neem nu zijn vendetta tegen Joran van der Sloot, want daar is zo langzamerhand wel sprake van. Joran is natuurlijk een enorme etterbak van een jongen met een hoogst onaangename levensstijl. Eerst een meisje voor dood ergens achter laten (de precieze toedracht is nog steeds niet aangetoond) en dan in Thailand in het pokercircuit gaan pochen over vrouwen die hij voor de seks-industrie kan leveren. Een vreselijke jongen, maar ook een opschepper van de eerste orde, zoals elke keer weer blijkt. Ook nu, want hij slaagde er niet in om ook maar 1 meisje aan de handlangers van De Vries uit te leveren.
Dus waarom zou je op zo’n zielig geval nog een verborgen camera-actie los laten? Om zijn zoveelste leugen vast te leggen? Of om nog weer eens aan te tonen dat hij voorgoed ten kwade is gekeerd? Dat is niet het onthullen van een maatschappelijke misstand (want we weten dat vrouwenhandel in Thailand helaas op grote schaal voorkomt) en ook niet het ontmaskeren van een misdadiger, want dat Joran in Thailand tot nu toe iets strafbaars heeft gepleegd en dus vervolgbaar is, is nog maar zeer de vraag.
Mijn conclusie is dat De Vries de verborgen camera hier heeft ingezet om op de golven van de publieke verontwaardiging over een klerejong zijn kijkcijfers op te stuwen. En misschien ook wel om de aandacht af te leiden van de claim die de advocaat van Van der Sloot eerder deze maand bij de rechter indiende over inbreuk op auteursrecht.
De Vries komt daarbij weer op een terrein dat hij toch goed moet kennen: het gebruik van zijn mediamacht om een persoonlijke strijd te beslechten. Eind jaren negentig had hij die bijvoorbeeld met zo’n andere vreselijke man: Steve Brown. Door de Raad voor de Journalistiek is De Vries toen op de vingers getikt omdat hij de verborgen camera toen alleen maar gebruikte om aan te tonen dat Brown een onbetrouwbare figuur was. Met die ‘onthulling’ was niet een dermate groot publiek belang gemoeid dat het de inzet van en zwaar middel zoals de verborgen camera rechtvaardigde. De Raad meende namelijk ‘dat het besluit om gebruik te maken van verborgen opname-apparatuur voor televisieuitzendingen slechts voldoende verantwoord kan worden geacht, als de belangen die daarbij gediend zijn in ruime mate opwegen tegen de inbreuk op rechten en rechtmatige belangen van de betrokkenen.’ In de leidraad voor journalistiek handelen die de Raad in 2007 opstelde staat dan ook onder artikel 2.1.5 dat de verborgen camera alleen ingezet mag worden als er een aantoonbaar maatschappelijk belang mee gemoeid is, als geen ander middel die misstand kan aantonen en als er geen onevenredige inbreuk op de privacy of veiligheid van betrokkenen wordt gemaakt.
Nu is zo’n leidraad natuurlijk niet bindend want de Raad voor de Journalistiek is een door de journalistieke beroepsgroep zelf in het leven geroepen adviesraad. Alleen een rechter kan journalistiek handelen bindend toetsen (alleen achteraf en op grond van een aanklacht) aan andere belangen. En ook Joran van der Sloot heeft rechten en belangen, wat voor een etter het ook is.
Ik denk eerlijk gezegd dan ook dat Joran’s advocaat geen slechte zaak heeft als hij iets zou beginnen tegen De Vries of SBS. En dat is natuurlijk treurig en juist tegen alle bedoelingen van De Vries en zijn publiek in.
Maar het is wel de consequentie van onze rechtstaat, waarin iemand pas kan worden veroordeeld na een behoorlijke rechtsgang en niet na een televisieuitzending die beoogt de publieke opwinding tegen een vervelende jongen op te hitsen tot een lynchpartij.